Ing. Anne-Marie T.M. OudejansDe ontwikkeling van de graafmachines met
scheprad (Schaufelradbagger) verliep zo tot het begin van de twintigste eeuw naar
verhouding eigenlijk langzaam en met horten en stoten. (Blog
https://bruinkool.blogspot.nl/2017/04/de-eerste-graafmachines-met-scheprad.html
)
Dit
kwam vooral doordat men toen al beschikte over veel effectievere machines,
zoals lepelgravers voor het afgraven van
hardere gesteentelagen en de effectief werkende emmerkettingmachines
(Eimerkettenbagger) voor het afgraven
van het wat lossere gesteentemateriaal.
Een ander probleem was, dat de machines (centraal) aangedreven moesten worden
met een stoommachine en moest de
aandrijvende kracht mechanisch over grotere afstanden getransporteerd worden.
Men had toen nauwelijks of helemaal geen (kleinere) plaatselijke diesel- of
elektromotoren. Daarbij kwam ook nog, dat men toen ook nog de goede
transportbanden had, nodig voor een continu doorgaand afgraven. De
graafmachines met scheprad zelf, de mechanische overbrengingen van de
aandrijvende kracht en de transportbanden waren toen nog te veel gevoelig voor
de slijtage, waaraan zij bij het graven onderhevig waren.
Triest genoeg gaf de Eerste
Wereldoorlog de grootste aanzet tot de
verdere ontwikkeling van de graafmachines met scheprad. De omstandigheden in de
Eerste Wereldoorlog waren dusdanig dat de Duitsers voor een belangrijk deel van
hun energievoorziening aangewezen waren op hun bruinkoolreserves.
Daarbij kwam ook, dat er in Duitsland een ernstig te kort was aan een speciale
slijtvastere staalsoort, nodig voor de schakels van een emmerkettingen.
In 1916 werd in de bruinkoolgroeve “Roberts Hoffnung” in Bergwitz bij Bitterfeld voor Duitsland de
eerste graafmachine met scheprad in gebruik genomen. De machine is gebouwd door
Maschinenbau-Anstalt Humboldt uit Keulen-Kalk voor het afgraven van de deklaag boven de kolen. De
bouw van de machine kwam geheel overeen met die van een emmerkettinggraafmachine.
In feite kwam het er op neer, dat men in
principe alleen de emmerketting verwisseld had voor een op en neer beweegbare graafarm
met het scheprad. Met een graafwiel van
6m kon het apparaat 400 m
3
gesteente per uur afgraven. (9600m
3 per etmaal)

De machine was draaibaar op een portaal als onderbouw gemonteerd, waarvan het
portaal zelf en de afvoerwagens op rails liepen. Het afgegraven materiaal kon
zo dus direct van de graafarm in de afvoerwagen worden gestort.
Helaas is deze machine slechts tot 1923
in bedrijf geweest en is hij vervolgens gesloopt en als schroot afgevoerd. Eerstens
was hij door de bouw boven op een
portaal samen met de windvang door de graafwiel en -arm te onstabiel. Omdat door
de oorlog ijzer en staal so-wie-so schaars was, waren bepaalde onderdelen van de machine dan maar
van hout gemaakt. (Alles met elkaar maakte dit, dat deze machine
niet bestand was tegen de eigenschappen van het Bergwitzer deklaaggesteente.
In de periode direct na het einde van de eerste Wereldoorlog
verbeterde Humboldt dit type schepradgraafmachine naar een apparaat, dat 300 m3
gesteente of kolen per uur kon afgraven ( dus 7200 m3 per
etmaal). De graafarm was 16 m lang. Het scheprad met zijn 8 scheppen had een diameter van 5,2
m. Voor zijn aandrijving waren 6 elektromotoren nodig, waarvan één voor het
scheprad, één voor de lopende band één voor de draaiing van de graafarm, één
voor de vertikale beweging van de graafarm en tenslotte twee elektromotoren
voor het rijden van de machine.

Geraadpleegde literatuur:
H.H. Cohrs, R Oberdrevenmann Giganten in Erd- und Tagebau pag 41
Fahren mit einen Holzplattenband) Chronik des Braunkohlenbergbaues im Revier Bitterfeld Bd III pag. 19)
W. Durst en W. Vogt Der Schaufelradbagger 1986 p. 6-7
Chronik des Braunkohlenbergbaues im Revier Bitterfeld Bd III pag. 19
Prof. F. Orunewald Köln, „Technische Neuerungen im Betriebe der rheinischen Braunkohlengruben“ .Berg- und Hüttenmännische Zeitschrift “Glück Auf” van 5 mei 1923 pag 429 ev